Omdat een kind niet kiest wat handig is, maar wat het niet kan laten. Wat er van nature in zit, moet eruit, en dat gebeurt in het spel. Als volwassene is die laag bedekt geraakt door opleiding, verwachtingen en aangeleerd gedrag, maar hij is er nog.
Voor een kind is spelen geen pauze tussen belangrijkere dingen. Het is de manier waarop het de wereld verkent en tegelijk laat zien wat het in zich heeft. Het kiest zonder plan, zonder publiek en zonder afweging. Er is niemand die het beoordeelt en er hangt niets van af.
Dat maakt die keuzes bruikbaar. Wat je als volwassene doet, is altijd deels omgeving: je functie, je opleiding, wat er van je verwacht wordt, waar je toevallig goed in bent geworden. Wat je als kind deed, was dat niet.
Hier zit de kern, en het is precies andersom dan de meeste mensen aannemen.
Een kind wordt niet creatief doordat het met Lego speelt. Het speelt met Lego omdat het al creatief is. Het speelgoed maakt het kind niet, het kind kiest het speelgoed. En als dat speelgoed er niet is, kiest het iets anders waarmee het hetzelfde kan.
Dat is de bevinding waar de hele methode op rust: de drang gaat vooraf aan het materiaal.
De meest gestelde tegenwerping is: ik speelde toch gewoon met wat er in huis lag? Die klopt niet, en wel op drie niveaus.
Wat er ligt, is inwisselbaar. Een luciferdoosje is een auto. Een stok is een geweer. Een lepeltje werkt als kam. Wie wil bouwen en geen Lego heeft, bouwt met takken, dekens of zand. Het voorwerp is toeval, wat je ermee doet niet.
Schaarste maakt het extra zichtbaar, maar overvloed maakt het niet troebel. Een uur fietsen naar een ander dorp omdat je wilt lezen, of een schaakspel maken van steentjes: dat laat de drang zien én dat die sterk genoeg was om een obstakel te nemen.
Maar ook een kind met een overvolle speelgoedkast pakt telkens dezelfde dingen, doet ze op een eigen manier en raakt erin verdiept. Het gaat niet om wat er lag, maar om hoe graag je iets deed.
Zelfs een verbod houdt het niet tegen. Wat erin zit, moet eruit. Ook als het stiekem moet, en ook waar het niet mocht en er straf op stond. Wat een kind tegen de klippen op doorzet, is per definitie geen aangeleerd gedrag.
Daarom werkt de methode ook bij mensen die in armoede opgroeiden, in een andere cultuur, of vijftig jaar geleden. Er wordt niet naar speelgoed gekeken, maar naar wat iemand deed om ergens te komen.
Niet “had je Lego”, maar “wat deed je als je iets wilde maken”. Niet “was je creatief”, maar “bouwde je naar het bouwplan of iets eigens”. Niet “speelde je veel buiten”, maar “wat deed je daar precies, en met wie”.
Het gaat om het gedrag en de manier waarop. Speelde je alleen of zocht je anderen op? Maakte je dingen af of ging je door naar het volgende? Verzon je regels of volgde je ze? Wilde je winnen of wilde je meedoen?
Daarom duurt het gesprek 2,5 uur en niet twintig minuten. Eén spelvoorkeur zegt niets. Het gaat om de patronen die zichtbaar worden als je lang genoeg doorvraagt, en om de plekken waar antwoorden elkaar tegenspreken. Die worden ter plekke uitgezocht.
Dat venster is niet willekeurig. Aan beide kanten ligt een grens die los van deze methode onderzocht is.
Onder de vier reikt je geheugen niet. De vroegste autobiografische herinnering ligt in westerse culturen gemiddeld rond de drie à drieënhalf jaar. Waar precies de grens ligt, verschilt per onderzoek en per meetmethode, en herinneringen uit de eerste jaren daarna zijn dunner dan die van later.
Maar onder de vier valt er weinig op te halen, hoe interessant die periode op zichzelf ook is.
Vanaf een jaar of twaalf gaat de groep meewegen. De gevoeligheid voor leeftijdsgenoten wordt in de literatuur beschreven als een omgekeerde U die rond je veertiende piekt, en het vermogen om je daaraan te onttrekken groeit pas vanaf die leeftijd.
Daar komt de middelbare school bij: profielkeuze, prestatie, imago. Wat je dan kiest, kies je mede omdat het iets oplevert of ergens bij hoort. Dat maakt de keuze niet minder waar, maar wel minder zuiver.
Daartussen kiest een kind gratis. Er hangt geen carrière aan, geen beoordeling en geen zelfbeeld dat overeind moet blijven. Dat is de enige periode in een mensenleven waarin voorkeuren tegelijk herinnerbaar zijn en niets kostten.
Dat er in de vroege jaren iets zichtbaar is dat blijft, is ook onderzocht. In de Dunedin-studie werden duizend driejarigen geobserveerd en 23 jaar later opnieuw onderzocht; hun vroege gedragsstijlen bleken samen te hangen met hoe zij als volwassene dachten, voelden en handelden.
Temperament blijkt bovendien matig stabiel tussen drie en twaalf jaar.
Twee dingen, en die horen erbij.
Kinderen zijn niet stabieler dan volwassenen. De rangordestabiliteit van persoonlijkheidskenmerken neemt juist toe met de leeftijd. Het argument is niet dat de kindertijd de meest constante periode is, maar dat de keuzes er het minst vertekend zijn.
En dát je in deze periode kijkt, is ontwikkelingspsychologisch te onderbouwen. Wélk spelgedrag naar welk kerntalent verwijst, komt uit dertig jaar praktijkonderzoek van Danielle Krekels en niet uit universitair onderzoek. Dat onderscheid houden we scherp.
Dat hoor je vaker dan je denkt, en het is zelden een probleem. De vragenlijst die je vooraf invult zet het geheugen op gang, en in het gesprek blijkt bijna altijd dat er meer is dan je dacht.
Concreet gedrag ligt dieper opgeslagen dan een oordeel over jezelf: je weet vaak nog precies hoe je iets deed, ook al zou je niet kunnen zeggen wat voor kind je was.
Je hoeft je ook niet alles te herinneren. Het gaat om de patronen, niet om de volledigheid.
William en Elma Lievers zijn beiden Senior Coretalents-analist en hbo-opgeleid in Human Resource Management. Samen zijn zij eigenaar van AnalyseVerslag, Powered by Coretalents en geaccrediteerd voor de schrijfservice voor collega-analisten en voor het geven van verdieping in de methode.
Elma is daar inhoudelijk verantwoordelijk voor de schrijfservice en volgt de opleiding psychologie aan de Open Universiteit. William is Coretalents-trainer, verzorgde van 2019 tot 2024 de Coretalents-opleiding en begeleidt startend analisten binnen StartStevig.